Oefeningen
Duiken
Wat is een duik in volleybaltermen?
Een duik is een voorwaarts vallende beweging waarbij de bal met 1 of 2 armen omhoog gespeeld wordt, en waarbij de armen de het lichaam bij het neerkomen opvangen. In principe kan een duik ook zijwaarts uitgevoerd worden, maar daarbij zal in de praktijk het bovenlichaam in de valrichting gedraaid worden, en is de techniek vrijwel hetzelfde als bij een voorwaartse duik.
Wat ook als een duik beschouwd kan worden is de zogenaamde pancake of pannenkoek waarbij de hand als het ware onder de bal geschoven wordt net voordat hij de grond raakt. Maar deze techniek bespreek ik hier niet.
Een andere techniek om vallend een bal te spelen is een rol, zie daarvoor de andere pagina. Het voordeel van een duik ten opzichte van een rol is dat de bal met 2 armen gespeeld kan worden. Daardoor is het bij een duik vaak nog mogelijk een zuivere pass te geven. Bij een rol is dit veel moeilijker omdat de bal maar met één arm gespeeld wordt.
Aandachtspunten bij het duiken

Belangrijk is dat het lichaam zo snel mogelijk laag bij de grond gebracht wordt, en dat de duikbeweging hoofdzakelijk horizontaal uitgevoerd wordt. Daardoor hoeven de armen veel minder gewicht op te vangen.
Een ander belangrijk punt is dat geprobeerd moet worden de rug hol te maken en de onderbenen op te trekken. Het lichaam moet als het ware een deel van een cirkel worden, waarbij het lichaam op de buik landt. Hierdoor wordt voorkomen dat de borsten, knieën en tenen in pijnlijke aanraking met de grond komen.
Oefeningen om te leren duiken
De volgende oefeningen zijn bedoeld om de techniek van duiken aan te leren. Nadat deze oefeningen een paar keer getraind zijn moet het duiken in de praktijk geleerd worden. Ook kan het duiken een onderdeel vormen van trainingsoefeningen waarin ook andere technieken getraind worden.
Let op: De oefeningen zijn vrij zwaar voor de armen, dus tijdens één training moeten de oefeningen niet te vaak herhaald worden. Waarschijnlijk is het 20 keer uitvoeren van de duikbeweging tijdens één training voor de meeste (beginnende) volleyballers al zwaar. Na het uitvoeren van de oefeningen kunnen de armen als lood aanvoelen, dus daarna zal de bovenhandse techniek een stuk minder worden. Dit kan een argument zijn om de oefeningen aan het eind van de tarining te geven. Tussen 2 oefeningen kan het beste een andere korte oefening uitgevoerd worden, zodat de armen even kunnen herstellen.
Oefening 1
Uitgangspunt is de lage verdedigingshouding: de benen iets uit elkaar, de knieën gebogen, de armen gestrekt naar voren, eventueel al met de onderarmen tegen elkaar.
De eerste oefening moet in het begin zo langzaam mogelijk uitgevoerd worden, in principe in slow motion, totdat de speler merkt dat hij voorover valt en de val met de armen moet opvangen.
De spelers gaan naast elkaar op de zijlijn van het veld staan. Vanuit de verdedigingshouding wordt één stap naar voren gezet, en wordt het bovenlichaam zo laag mogelijk naar voren bewogen. Het vooruitgestoken been moet gebogen worden zodat het lichaam laag blijft. Ondertussen blijven de armen gestrekt naar voren wijzen. Als het achterwerk van de speler voorbij de voorste voet komt, zal de speler voorover vallen en worden de armen naast elkaar op de grond geplaatst om de val op te vangen. Terwijl de handen op de vloer staan moet de rug hol getrokken worden en beweegt het lichaam nog iets verder naar voren. De bedoeling is dat de buik het eerst de grond raakt.
Hierna gaat de speler weer staan op de plaats waar hij geland is, en herhaalt de oefening, totdat de overkant van het veld bereikt is. Meestal lukt dit wel in 3 duiken. Eventueel kan de oefening herhaald worden naar de andere kant van het veld.
Oefening 2
Deze oefening wordt met 2 personen uitgevoerd.
Speler 1 gaat op de zijlijn van het veld staan. Speler 2 houdt een bal op kniehoogte vast, recht voor speler 1. De afstand moet zodanig zijn dat speler 1 de bal nog net kan raken als hij voorover duikt. Speler 2 moet niet recht voor speler 1 gaan zitten, maar 'naast' speler 1, uit de baan van de duik.
Speler 2 herhaalt de bewegingen uit oefening 1, waarbij de onderkant van de bal aangetikt wordt voordat de handen op de grond geplaatst worden. De bal hoeft niet uit de handen van speler 2 getikt te worden, maar het mag wel.
Deze oefening wordt 3 tot 5 keer door dezelfde speler uitgevoerd, waarna de spelers van plaats wisselen.
Oefening 3
De trainer verzamelt een aantal ballen op de aanvalslijn aan 1 kant van het net. De andere spelers verzamelen zich op de achterlijn aan de andere kant van het veld. De eerste speler gaat midden in het achterveld staan, waarna de trainer een bal over het net gooit, vlak voor de speler. De speler duikt naar de bal en probeert deze aan de onderkant te raken voordat hij de grond raakt. Het is niet nodig dat de bal goed verdedigd wordt, het gaat erom dat de bal geraakt wordt en dat de duikbeweging netjes afgemaakt wordt. Ook als de bal te dicht bij de speler naar beneden komt moet deze toch proberen de duikbeweging te maken.
De speler die de duikbeweging gemaakt heeft haalt de bal op en rolt deze naar de trainer, die ondertussen de oefening bij de andere spelers herhaalt. Daarna herhalen alle spelers de oefening nog 2 tot 4 keer.
Tekst van Kees Schouten
Rollen
Wat is een rol in volleybaltermen?
Een rol is een vallende beweging, waarbij de bal met 1 arm omhoog gespeeld wordt, en waarbij het lichaam zo gedraaid wordt dat het op de heup of het achterwerk landt, en daarna over de rug afrolt. Als de rol met voldoende snelheid uitgevoerd wordt dan rolt de speler zover door dat hij weer op zijn benen terecht komt en direct weer klaar staat om andere ballen te verdedigen.

Een andere techniek om vallend een bal te spelen is een duik, zie daarvoor de andere pagina. Het voordeel van een rol ten opzichte van een duik is dat een speler sneller weer overeind kan staan en dus verder kan spelen.
Aandachtspunten bij het rollen
Belangrijk is dat de arm waarmee de bal gespeeld wordt niet op de grond terecht komt. Als de hand of de elleboog op de grond komt dan bestaat de kans op blessures, en kan de rolbeweging niet goed afgemaakt worden.
Oefeningen om te leren rollen
Oefening 1
De eerste oefening moet in het begin zo langzaam mogelijk uitgevoerd worden, in principe in slow motion, totdat de speler merkt dat hij gaat rollen.
De spelers zoeken een plekje in de zaal waar ze naar rechts en naar links wat ruimte hebben. Elke speler zet de benen iets uit elkaar, de knieën gebogen. De rechterarm wordt horizontaal gestrekt naast de schouder gehouden. Vanuit de uitgangshouding wordt het rechterbeen iets naar rechts verplaatst zodat het linkerbeen gestrekt wordt. De speler zakt door het rechterbeen zodat de gebogen knie naar voren wijst. Dan wordt de gebogen knie naar links gedraaid waardoor ook het bovenlichaam van de speler naar links draait, en laat de speler zich rustig achterover op de grond rollen.
Let op: het is belangrijk dat de rechterarm vrij van de grond blijft. Pas als de schouder de grond raakt komt ook de arm op de grond. Ook is het belangrijk dat de knie naar links gedraaid wordt. Sommige spelers hebben de neiging om de knie naar rechts te draaien, waardoor de rol niet vloeiend uitgevoerd kan worden.
Deze oefening wordt 3 tot 5 keer uitgevoerd, daarna 3 tot 5 keer naar de linkerkant, waarbij alle bewegingen gespiegeld worden ten opzichte van de eerste serie.
Oefening 2
Deze oefening wordt met 2 spelers uitgevoerd.
Speler 1 gaat in de uitgangshouding van oefening 1 staan. Speler 2 houdt een bal op kniehoogte vast, ongeveer een halve meter rechts van de uitgestoken hand van speler 1. Speler 2 moet niet naast speler 1 gaan zitten, maar 'tegenover' speler 1, zodat hij niet in de baan van de rol zit. Speler 1 maakt de rolbeweging en tikt de onderkant van de bal aan. De bal hoeft niet uit de handen van speler 2 getikt te worden, het gaat erom de de bal aan de onderkant geraakt wordt.
Deze oefening wordt 3 tot 5 keer uitgevoerd, daarna 3 tot 5 keer naar de linkerkant, waarbij alle bewegingen gespiegeld worden ten opzichte van de eerste serie. Daarna wisselen speler 1 en 2 van plaats en herhalen alles nog een keer.
Oefening 3
De trainer verzamelt een aantal ballen op de aanvalslijn aan 1 kant van het net. De andere spelers verzamelen zich op de achterlijn aan de andere kant van het veld. De eerste speler loopt†richting de aanvalslijn, waarna de trainer een bal over het net gooit, ruim 1 meter naast de speler. De speler maakt de rolbeweging en probeert de onderkant van de bal te raken voordat de bal op de grond komt. Het is niet nodig dat de bal goed verdedigd wordt, het gaat erom dat de bal geraakt wordt en dat de rolbeweging netjes afgemaakt wordt. Ook als de bal te dicht bij de speler naar beneden komt moet deze toch proberen de rolbeweging te maken.
De speler die de rolbeweging gemaakt heeft haalt de bal op en rolt deze naar de trainer, die ondertussen de oefening bij de andere spelers herhaalt.
Daarna herhalen alle spelers de oefening nog 2 tot 4 keer met een rol naar dezelfde richting, daarna nog 3 tot 5 maal met een rol naar de andere richting.
Tekst van Kees Schouten